Meer
Haiku’s
wolkenschaduwen
vluchten over de velden
de wind achterna
was dat
een engel?
die
lichtflits over de tuin –
iemand
sloot het raam
vleugelzadendans
onder
geurende linden
componeert de wind
duiven koeren Bach
de merels fluiten Mozart -
het lijkt wel lente
praten
met de hond
menszijn zeg ik valt niet mee
hij
likt zacht mijn hand
zuchtend valt de boom
nog
eens gromt de kettingzaag
zo lust
ze er meer
een
lege hemel
dromen
van nieuwe bomen
in mijn
oude straat
het oog
van de kip
zo
scherp als korrels vallen
wordt
zacht als ze drinkt
duiker op het dak -
uit de blauwe hemelzee
een schoorsteenveger
hoe mijn oude klok
onverstoorbaar tikkend
stilletjes voorloopt
in het voorbijgaan
waait een dode vleugel op
- wil nog vliegen
in grote stilte
ontvangt het stervende bos
de zure regen
kersen
in het gras
merels
lieten ze vallen
kevers
danken God
je
voelt het niet eens
dat
torretje op je arm
zijn
landing op Mars
slak
wil hogerop
een
reiger ziet haar zitten
ze komt
er heus wel
zoeken
naar contact
als in
de zandbak vroeger
graven
naar je hand
te
zwaar voor het gras
een
kever vervolgt zijn weg
klimmend steeds lager
zomerochtendvogelzang
een
duif koert morse
kortlang kortlang
een
vogel fluit
wieweet
wieweet
kort is
het leven
de dag
nog lang
hoor de
vinkenslag
vanavond al duizend keer
en
duizend keer nieuw!
spannend op de fiets
de
zomerrok van vroeger
voor
vrouw en wind
fietsende jongen
plotseling harder trappend
om
niets, om alles
prentjes in het zand
het maakt geen diepe indruk
vogel te zijn
het heeft gevroren
geluidloos tikt de goudvis
tegen een nacht ijs
een gouden lans staat
staat roerloos in de avondlucht
waar bleef het vliegtuig?
men staat er niet bij stil
het oude joodse kerkhof
achter prikkeldraad
dichtbij de herfstmaan
zoveel verder de sterren
hoever nog van huis?
met plukken gemist
staat zij volop te bloeien
de
vergeten bloem
in
geur van floxen
badend in septembergoud
verglijdt de zomer
verregenen de rozen
huivert een vlieg in het web
ach kijk dat loopt nog
een hondje op drie poten
en
toch gelukkig
zieke bij het raam
duiven zoeven voorbij
en
weer de leegte
je
bent nog zo klein
toch ligt in die wieg alles
om
iemand te zijn
bij de apenkooi
voelen wij ons zwaar gekleed
naakte mutaties
stom staan giraffen
de
blik op gaas gebroken
reikend naar verte
haaien achter glas
zwenkend zeezoekend raadsel
naakt te kijk gezet
eenden steken over
de
bejaarde wacht nog wat
verkeer trekt weer op
oude man met stok
levenslijn werd stippellijn
elke stap een punt
hier ben ik geweest
zal zo ook het einde zijn
een bekende plaats
zon en regen
ogen rapen het zilver
van oud geluk
was hij daar steeds al
de bloesemende prunus
in het late licht?
zonder vergunning
bouwen de vogels in mei
toch maar weer een nest
gedrup van water
hier in het andere land
zo vreemd vertrouwd
lege tuinstoelen
geesten van voorbije zomer
houden ze bezet
diep in de struiken
stoeien de jonge vogels
de kat mediteert
een
merel slaat
geluidloos valt de avond
de tijd
tikt weg
vanuit
de stilte
op het
scherp van zwijgen
te
woord gaan of niet
schuimlaag op het strand
alle
woorden ooit geschreven
geen
woord maar teken
de zon
breekt door
op de
rand van lucht en water
lekt
zilver in zee
je was
zo zwijgzaam
maar nu
je dood bent vader
kan ik
je verstaan
zijn
oude vulpen
die
maken kon en breken
in de
keukenla
moeder
in je kist
iedereen liet jij voorgaan
nu
stopt het verkeer
ik open
haar kast
de
tijdgrens overschreden
door
lavendelgeur
ze
steekt het haar op
een
speld tussen de lippen
even
lijkt ze jong
o
eeuwige sneeuw
niet
als sneeuw ben je eeuwig
maar
als wit van sneeuw
oude
stadsmuur
je vele
tinten rood
alleen
de tijd
kijk,
de aarde zeilt!
de wind
hijst bolle wolken
aan
hoge bomen
de
wolken breken
boven
het rivierenland
regent
het zonlicht
je was
zo zwijgzaam
maar nu
je dood bent vader
kan ik
je verstaan

Haiku's van Jac Vroemen worden onder andere gepubliceerd in
Vuursteen, tijdschrift voor de haikukring Nederland-Vlaanderen, en
in Sfinx, tijdschrift van het
centrum voor zelfbezinning.