‘YES WE CAN’
Obama’s
geheim
Een
bijdrage aan het voorjaarsnummer 2010 van Sfinx, dat geheel gewijd
was aan de slogan ‘Yes we can’.
Mij brengt het bij de
spreektrant van Amerika’s nieuwe president die, bij alles wat
hij zei – ik beperk me hier tot zijn verkiezingsoptreden - de
luisteraar tot verdieping bracht. ‘Yes we can’ slaat niet alleen op
de dingen die nodig moeten op politiek, economisch en
maatschappelijk terrein. Het is een spirituele aanmoediging, die
raakt aan goed menszijn. Wezenlijk zegt hij: ’Wij kunnen zoveel
beter, als mens, als gemeenschap, als natie.’ Dit is een
stellingname. Zij wijst het pragmatisch cynisme van onze tijd
af. Het is ook een stellingname die toehoorders bij levensvragen
brengt. Waar komen wij vandaan? Ik voeg daar aan toe: waar komen wij
vandaan dat we zoveel vermogen? Wie zijn wij dat we kunnen maken en
breken op een nog ongekende schaal? De aarde vernielen of
vernieuwen, verpesten of veranderen in het aards paradijs dat nog
ergens onder het asfalt moet liggen?
Niet zo
gek, dat er veel afgepraat is over een spreektrant, die veroorzaakt
dat we het opeens met elkaar over levensvragen hebben. Veel
geprezen, zelden begrepen is Obama’s wijze van spreken, voor zover
ik heb kunnen nagaan.
Waarin
schuilt Obama’s geheim dan? Wat bepaalt zijn zeggingskracht?
Het algemene misverstand bij de meestal hooggeschoolden die ik
trainde voor mediaoptredens was, dat hun zeggingskracht moest komen
van inhoud. Vooral feitenkennis beschouwden ze als hun
voornaamste bagage. Toch konden we, mede dankzij de camera, laten
horen en zien dat het hun spreektrant was, die minder overtuigend,
en zelfs ongeloofwaardig maakte. Het was, meestal na een vliegende
start (geen stiltemoment) ‘pauzeloze monotonie’. Spanning, een soort
fundamentele gehaastheid, en de angst voor onvolledigheid
veroorzaken die wat afwezige, vlakke woordvoering die veel weg heeft
van een verbale hordeloop. Uitgesproken, haast men zich terug naar
de eigen stoel, waar de eigenlijke mens is blijven zitten, en waar
het leven weer leuk mag zijn; niet tijdens het spreken. Lukte het om
iemand te laten ‘praten als Obama’, dan bevestigden de collega’s,
dat hij nu wel overtuigde. In plaats van even die klus te klaren,
wás hij er. De verbetering zat hem in kortere zinnen, eindigend in
hoorbare punten (stembuiging naar beneden), en durven pauseren na
een punt. Dit geeft ook een kort optreden al zoveel extra kracht,
dat de trainees vaak verrast zijn. Daarbij blijkt, dat wie het lukt
om het tempo te verlagen, en in de pauzes gecentreerd te
blijven, niet bang hoeft te zijn onderbroken te worden. Niet
de woorden, maar juist de stiltes ertussen houden dan de aandacht
vast.
Waarom
laat men dat sprekersgoud – dat een Obama zo aangenaam
beluisterbaar maakt - dan toch telkens weer los? Wat ik kon
vaststellen was, dat men, omwille van de oefening, wel bereid is de
inhoud van het betoog drastisch terug te brengen. Natuurlijk met
behoud van de kern. Dat vraagt om een grondiger doorwerken van de
aanvankelijke tekst. (Ik zeg ‘tekst’ omdat, ook als men niet van
papier spreekt, dat papier toch ‘in het hoofd’ zit). Men begrijpt
enigszins dat nuances geen uitweidingen hoeven te
worden, maar door woordkeus en toon ontstaan. Maar in het werkelijk
optreden vervalt men vaak weer tot uitgebreidheid, door een soort
volledigheidsdrang, en de angst onderbroken te worden. De in de
oefening op ‘tekst’ veroverde ruimte voor pauzes verdwijnt dan weer.
Geroutineerde eindredacties gaan vervolgens ‘knippen en plakken’. Ik
stond er wel eens bij als een geroutineerde radioredacteur de
weinige pauzes van de oorspronkelijke opname alsnog
vermenigvuldigde, door ze te monteren in de uitzendband, om die
beter beluisterbaar te maken.
Gaat het
om een rechtstreekse uitzending, dan rest de interviewers niets
anders dan iemand steeds onderbreken. Het heeft ons als luisteraars
doen wennen aan een interruptiecultuur.
Een
feitelijk effectievere spreektrant blijkt dan ook onder druk van die
overheersende spreekcultuur heel moeilijk om vast te houden. Bij
sprekers voor een zaal komt daar de angst bij, of onmacht, om
helemaal ‘present’ te zijn, zodra men alleen voor publiek staat.
Pauzeloze tekst, al of niet met sheets, biedt gespannen sprekers
heel wat aan bescherming.
Ook angst
voor plechtstatigheid verhindert goed en overtuigend spreken, d.w.z.
met pauzes en stemdaling.
Mijn
eigen les was: dat leer je mensen ook niet in een korte training.
Goede sprekers (Obama. Mandela! Waarom valt die overeenkomst niet
vaker op?) kunnen dit vanuit een traditie. De winnende spreektrant
reist al veel langer met hen mee, het is een cultuur. Sprekers uit
landen waar het schrift – als tekst in het hoofd - het nog niet
helemaal gewonnen heeft van spreektaal, houden met hun
doorgaans korte zinnen, punten, pauzes en kalm tempo de luisteraar
geboeid. Het spreken en luisteren is nog een levendige uitwisseling.
Waarvan
het resultaat steevast is, dat ‘het muntje kan vallen’. Het
‘muntje’ is dat wij, toehoorders, in onze eigen innerlijke ruimte
kunnen ‘meepraten’. De spreker is niet alléén aan het woord (en niet
alleen aan het wóórd). Terwijl veel en lang praten al wie niet aan
het woord is feitelijk innerlijk monddood maakt, bezielt
Obama ons, in de stilte tussen de woorden.
Alleen in
de stilte tussen woorden kan bezieling ontstaan. Spreken wordt er
musisch door. Wij, toehoorders, praten in gedachte met de spreker
mee. Pas dan is er communicatie.
Is
Obama’s procédé vanuit het sprekersvak gezien dus bedrieglijk
eenvoudig, sprekers brengen het zelden op om zo aanwezig te
zijn, in en tussen hun eigen woorden. Obama geeft kans naar onszelf
te luisteren. Er kunnen dan vragen en reacties bij je opkomen die
niet direct met het feitelijk gezegde te maken hebben. Zo geeft hij
gelegenheid om dichter bij verdrongen idealen te komen, die direct
gekoppeld zijn aan levensvragen. Waar komen wij vandaan? Waarom zijn
we hier? Wie of wat heeft ons gemaakt? Zit daar een zin of bedoeling
achter… Vragen die door het cynisch pragmatisme van vandaag verstikt
zijn geraakt.
Niet
toevallig werd Obama door zijn critici met een prediker vergeleken,
terwijl hij zich toch onthield van religieuze of godsdienstige
uitspraken. Het geheim zat dan ook niet in wat hij zei, maar hóe.
Obama sprak ongehaast. ‘Yes we can’ waren woorden vanuit zijn
innerlijke ruimte, zijn stilte.
Dit
artikel gaat verder in het
voorjaarsnummer 2009 van Sfinx, tijdschrift van het Centrum voor zelfbezinning.
Contact:
Baukje Joustra. E-mail
b.joustra@planet.nl